Overpeinzing

Het kleinste weerspiegelt het grootste; Plato in het museum
Paulien ‘t Hoen


Anne-Marie van Sprang maakt beelden. Haar materiaalgebruik is divers: was, brons, porselein, metaal en gips. Haar onderwerpkeuze is dat ook: mensfiguren, gebruiksvoorwerpen, meubilair, dieren. Tot zover niets bijzonders, zou je zeggen. Totdat je meer weet over de maatvoering. Haar beelden zijn klein. Buitengewoon klein. Het zijn miniatuurbeelden, meestal niet meer dan vijftien centimeter hoog of breed. Dat maakt ze aandoenlijk en op een prettige manier ook verontrustend. Ze refereren aan een wereld die we herkennen, maar welke wereld is dat? Natuurlijk zien we de referentie met de reële wereld, met de objecten in het formaat dat we gewend zijn. Een klein huis staat voor een groot huis zoals we dat kennen. Muren, een dak, groot genoeg om in te wonen. Zoals een kind dat voor het eerste op een boerderij komt een koe zal herkennen vanwege het vaak bekeken plaatje in een prentenboek. Deze koe is groter, loeit echt, slaat vliegen weg met zijn staart en heeft een schommelende uier waar melk uit komt. Een afbeelding geeft kennelijk genoeg aanwijzingen voor de herkenning van de driedimensionale variant. Op zich al wonderlijk genoeg, deze herkenning. Maar bij het kijken naar het werk van Anne-Marie van Sprang gebeurt nog iets anders, iets groters. Dit is meer dan een kwestie van opschalen of een dimensie toevoegen.

De metalen huisjes van Van Sprang bijvoorbeeld, en haar kruiwagentje van porselein, refereren niet alleen aan het reële beeld van huizen en kruiwagens uit ons dagelijks leven. Ze verbinden ons direct aan het oerbeeld dat we van deze objecten hebben. Hoe komt dat? Het huisje staat meer voor het idee van geborgenheid, warmte, en bescherming dan voor een letterlijk stenen huis met een voordeur, ramen, badkamer en keuken. Het bekijken van dit huisje brengt ons direct in verbinding met wat voor ons het ideale huis zou zijn. Niet zozeer qua architectuur, maar vanwege de manier waarop we ons er thuis voelen en er steeds weer terug willen komen.
Het kruiwagentje van bijna doorzichtig, maagdelijk wit porselein dat bijna niets weegt, maakt juist door de a-typische uitvoering in maat, materiaal en kleur onmiddellijk zichtbaar hoe vies en zwaar het werk is dat doorgaans met kruiwagens wordt verzet.

Daarbij komt dat Van Sprang haar beelden meestal presenteert met veel ruimte eromheen. Dat maakt het ons makkelijker om de kleine, fragiele objecten in verband te brengen met oneindigheid en archetypische beelden. Of zoals Plato het zou zeggen: met het oorspronkelijke gewaarzijn, waarvan onze dagelijkse waarnemingen een afspiegeling zijn.
Het werk van Van Sprang is in zekere zin te vergelijken met dat van Giacometti. Zijn mensfiguren zijn weliswaar groter, maar zo smal en dun dat je ze niet anders dan met kwetsbaarheid kunt associëren. Tegelijkertijd zijn ze gemaakt van onvergankelijk brons; steviger en meer toekomstbestendig is niet mogelijk. Van deze spanning maakt ook Van Sprang gebruik als ze in brons werkt, maar met haar beelden in porselein en was gaat ze nog een stap verder. Ondanks het feit dat je als toeschouwer weet hoe makkelijk was smelt, en hoe snel porselein breekt, blijven de beelden krachtig. Hun universele betekenis en sterke associatie met onvergankelijke beelden die ergens in ons liggen opgeslagen, maakt ze onverwoestbaar. Door naar haar beelden te kijken, komen we in contact met wat Plato de onvergankelijke wereld van ideeën noemde. Een wereld die je als mens niet kunt betreden, maar slechts benaderen door er glimpen van op te vangen. De beelden van Van Sprang brengen ons er dichterbij dan we hadden durven dromen of kunnen vermoeden.


Anne-Marie van Sprang
Untitled, 2012, porselein, 4 x 10 x 3cm

Alberto Giacometti
L'Homme qui marche II, 1960, brons, 189 × 26 × 110cm